Hoe kom je erop | maakprincipes deel 1 | VOOR MAKERS

Afgelopen maand heb ik twee werken af mogen maken OLV van de kleerscheuren en een tranentent. Ik hoorde vaak de opmerking: ‘je moet er maar opkomen’. Dat suggereert een soort mythe over creativiteit namelijk dat het werk me ingevallen is. Dat is het niet, het is aan het werk gaan en maken vanuit een aantal voor mij belangrijke principes. Deze 'maakprincipes' zie ik steeds terugkomen. Misschien zijn ze er intuïtief ingeslopen of waren ze er altijd al. Ik deel ze. Voor mijzelf, om beter te worden en mijn eigen 'stijl' te vinden. En wie weet helpt het jou als maker ook.

1. Ik ben geen schepper, eerder een samensteller.

Ik werk graag vanuit dat wat er al is. Natuurlijk materiaal, maar het liefst met spullen van mensen. Vervolgens orden ik. Ik breng het op een andere manier samen waardoor er iets nieuws kan ontstaan. In zekere zin was het er dus al. Alleen niemand eerder had het zo bij elkaar gebracht. Dat is voor mij een bevrijdende gedachte die mij de ruimte geeft ook fouten te maken.

Alles heeft zijn tijd is hier een goed voorbeeld van. Het werden de krabbeltjes op de achterkant van de foto’s die er al waren. Ze werden anoniem en persoonlijk genoeg door ze omgedraaid te presenteren. Ooit begon ik met het maken van collages dat voelde precies zo, het nieuwe beeld zat allang in al die oude tijdschriften en boeken, het kwam door mijn handen toevallig samen.

Amie Dicke noemt zichzelf ook liever een ‘aanwijzer’ dan een kunstenaar. Zij wijst anderen op dat wat er altijd al was, maar soms gemist wordt. In dit item (15 min) van Hollandse Meesters laat ze je kennismaken met haar inspirerende manier van werken. Ze is aan het werk in een appartement dat tijdens de Tweede Wereldoorlog als onderduikadres gebruikt werd en dat daarna door de desbetreffende onderduiker, Manuel Goldschmidt, bewoond is gebleven. Kijk het hier.


Amie Dicke in Hollandse Meesters door Saskia Vredeveld

2. Ik waardeer en ben nieuwsgierig naar de intentie van de gebruiker of de eerste maker.

Omdat ik vaak met spullen werk die al een leven gehad hebben of op locaties een installatie maak met een verhaal voel ik dat ik een soort van schatplichtig ben en ook oprecht geïnteresseerd ben naar de intentie erachter. Van de gebruiker met een voorwerp. Waarvoor heeft hij/zij het ooit aangeschaft, gebruikt, bewaard, gekoesterd, maar toch ook weg gedaan? En dezelfde interesse is er bij plekken. Die zijn door een architect of door de gebruiker van de plek op een bepaalde manier tot stand gekomen. En hoe uit die intentie zich vervolgens in de keuzes die zijn gemaakt en de (ongeschreven) regels die er gelden?

Mijn eerste voornemen met OLV vd de Kleerscheuren was iets compleet nieuws te maken van alle kapotte stukjes. Het misschien nog wel kapotter te maken om met de nieuwe stukjes opnieuw te kunnen beginnen. Toch voelde dat niet goed. Iemand had ooit zijn ziel en zaligheid gestoken in dit ontwerp. Het voelde beter eerst een poging te wagen om het beeld weer in elkaar te zetten. Dat lukte aardig en zo werkte dat principe als katalysator voor het verdere werk. Samen met Ruben Bruggeling puzzelde we ook wat we moesten doen met een prachtige kloostergang. Deze was al zo perfect en mooi. Dus waarom niet dubbel zo mooi maken en nogmaals projecten op de achterwand! Zo ontstond De gang van de gang.

Jopie Huisman, voor velen onbekend, maar voor mij een held gaat nog een stap verder en eert werkelijk de gebruiker. Hij zei over dit werk:

'Wat er van je overblijft is het wasmerkje van een rusthuis, zoals op deze onderbroek. Ja, die steken heb ik precies geteld. Ik wilde die vrouw niet belazeren.'


Ny Bethanië , 1982 - Jopie Huisman

Jopie verzamelde als voddenboer enorm veel. In het Jopie Huisman Museum in Workum is zijn verzameling spullen en zijn schilderijen prachtig gecombineerd te zien.

Voor nu was dit deel 1 van mijn maakprincipes, hoeveel er nog komen, geen idee ;-).