Herbestemmings-ongemak gesust met het verleden

Er valt mij iets op in het gesprek over het herbestemmen van kerkgebouwen en in de reacties op mijn opiniestuk. Er wordt met regelmaat gewezen op het multifunctionele gebruik van het kerkgebouw in de middeleeuwen of de Gouden Eeuw. Vaak komt dit (feit?) argument op tafel wanneer er enig ongemak, weerstand gevoeld wordt over nieuwe activiteiten in het gebouw. Meestal in de zin van: ‘In de middeleeuwen was de kerk het centrum van de stad, er waren markten, theater en op zondag werd de boel aangeveegd en gingen de kerkbanken er weer in. Toen gebeurde er dus ook van alles.’

Zo wordt het ongemak gesust. En dat is jammer, omdat ongemak en weerstand ons ook altijd wat te leren hebben. Hoewel ik moet bekennen dat ik in eerste instantie dit argument ook met gemak aannam, vind ik het hoe langer ik er over nadenk een vreemd argument. Voor zover ik het nu kan bedenken, vanwege deze drie redenen:

  1. Het argument wordt met regelmaat gebruikt door mensen die er in de middeleeuwen niet zelf bij waren en ook niet altijd historici zijn. Toch lijkt elke gesprekspartner of journalist dit argument voor zoete koek te slikken. Dat maakt het verdacht, komt het ons toevallig wel goed uit? Hoe multifunctioneel was dit gebruik werkelijk? En was dit overal het geval of enkel in de grote steden? Ik ben benieuwd naar bronnen, dus deel ze vooral!
  2. Los van of de praktijk in een kerkgebouw in de middeleeuwen of Gouden Eeuw inderdaad heel multifunctioneel was, is de context van toen compleet anders. Destijds werd de samenleving door het christelijke gedachtengoed gedomineerd. Met het kerkgebouw als middelpunt. Elk mens, elk ambacht, elke discipline verstond zijn bestaan vanuit deze christelijke grond. Zie bijvoorbeeld de vele bijbelse gevelstenen uit de Gouden Eeuw. Zo anders is het nu. Het christendom is één van de zingevingsopties geworden. We geloven vooral in onszelf en niet in iets hogers. De hemel moet nu gebeuren, niet straks. Een gebouw staat altijd in relatie tot een bepaalde context en haar ‘heiligheid’ wordt er mede door bepaald. Zie mijn eerdere blog daarover. De context nu, is zo anders dan toen, dat vraagt dus om voorzichtigheid om parallellen te trekken.
  3. De fysieke context is natuurlijk ook compleet anders. We leven nu (nog) in een tijd met voor ieder groot gebouw een eigen functie. Een theater, een filmhuis, scholen, warenhuizen. In de middeleeuwen waren grote stenen gebouwen schaars. Het waren kerken, kloosters of verdedigingswerken voor een stad. Het gebruik en de ervaring was daarmee logischerwijs ook anders.

Veel liever sluit ik mij aan bij het pleidooi van Rijksbouwmeester Floris Alkemade die het kerkgebouw zou willen behouden als plek van doordenking voor de grote vragen van deze tijd. Waarmee het gebouw een relatie aangaat met het heden en de toekomst, in plaats van zijn bestemming te beargumenteren met het gebruik in het verleden.

En tuurlijk we kunnen leren van het verleden, maar laten we onze ‘heilige’ onrust of weerstand niet onterecht sussen in de dialoog over het herbestemmen van kerken.